Nvidia levert eindelijk H200-chips aan China, maar via een opvallende omweg. ByteDance en Tencent ontvingen de afgelopen weken elk ongeveer 10.000 processors, meldt de Financial Times. Andere Chinese bedrijven krijgen naar verwachting binnenkort vergelijkbare aantallen. De chips bereiken hun gebruikers via Hongkong, het echte knooppunt in dit verhaal. Acht maanden lang leverden exportvergunningen namelijk vrijwel niets op.
De aantallen vallen klein uit vergeleken met de oorspronkelijke plannen. Het Amerikaanse ministerie van Handel gaf in mei ongeveer tien Chinese bedrijven toestemming om H200’s te kopen. Elke vergunning kende toen een limiet van 75.000 stuks. Er vertrok echter geen enkele chip. Chinese afnemers bestelden in januari naar verluidt zo’n twee miljoen exemplaren.
Eén cijfer uit het FT-bericht wringt met eerdere berichtgeving. De krant noemt een Amerikaans plafond van 100.000 chips per bedrijf. Bloomberg meldde in maart echter 75.000, en die grens keerde terug bij de goedkeuringen in mei. Niemand documenteerde een aanpassing. Het hogere getal blijft dus voorlopig voor rekening van de Financial Times. Tot Handel opheldering geeft, blijft dat verschil onbevestigd.
De weg hiernaartoe kostte bijna een heel jaar. China hield de H200’s in januari tegen bij de douane. Twee weken later kregen ByteDance, Alibaba en Tencent voorwaardelijk groen licht voor ruim 400.000 stuks samen. In mei beperkte Washington de groep afnemers opnieuw. Peking en Washington wisselden zo maandenlang van koers.
De geografische kant maakt de zaak het meest interessant. Peking draagt bedrijven op de hardware buiten het vasteland te houden. Zo beschermt de overheid haar eigen chipmakers. Toezichthouders staan toe dat firma’s de processors naar Hongkong sturen, dat buiten het douanegebied van het vasteland valt. Die opzet oogt doelbewust, niet geïmproviseerd. Hongkong verwerkt meer dan de helft van alle Chinese chipimport. Tussen januari en mei ging het om zo’n 124 miljard dollar. Ingenieurs op het vasteland benaderen de rekenkracht via grensoverschrijdende netwerkverbindingen. De chips blijven formeel offshore, maar functioneren gewoon.
Washington ziet de constructie. Het Bureau of Industry and Security onderzoekt hoe Chinese bedrijven rekenkracht huren die zij niet mogen bezitten. Handel probeerde het gat op 31 mei al te dichten met een verduidelijking. Die breidde de vergunningsplicht uit naar bedrijven met een hoofdkantoor in China of Macau, waar ter wereld zij ook opereren. Nvidia scherpte zelf ook aan. Het bedrijf schrapte in juli meer dan de helft van zijn Aziatische klanten van een interne lijst. Voor Nvidia is die naleving duur, want China leverde eerder miljarden op.
Opvallend genoeg remt Peking deze handel harder dan Washington. Minister Lutnick zei in mei dat de Chinese centrale overheid aankopen tegenhoudt. Zo houdt het land investeringen in de eigen industrie. Dat past bij het plan van 295 miljard dollar voor binnenlandse AI-datacenters uit juni. De commerciële voorwaarden blijven ongebruikelijk. Trump kondigde in december aan dat Nvidia H200’s mag leveren aan goedgekeurde Chinese klanten. Daarbij gaat 25 procent van de opbrengst naar de Verenigde Staten. Dat overtreft de afspraak van 15 procent die Nvidia en AMD eerder accepteerden. De handel in AI-chips draait zo net zo goed om politiek als om techniek. De vraag blijft hoeveel chips uiteindelijk echt aankomen.