Rook van Canadese bosbranden trok de afgelopen week opnieuw over Noord-Amerika. Toronto had korte tijd de slechtste luchtkwaliteit van alle grote steden ter wereld. In Thunder Bay ging de meting zelfs voorbij de bovengrens van de Canadese luchtkwaliteitsindex. Waarschuwingen voor ongezonde lucht reikten van Minneapolis tot New York City. Klimaatwetenschapper Zeke Hausfather beschrijft hoe deze rookgolf een oude discussie nieuw leven inblies. Volgens critici liggen de branden niet aan het klimaat, maar aan slecht bosbeheer. Hausfather neemt dat argument serieus en toetst het aan de cijfers. Zijn conclusie: voor de Canadese boreale wouden houdt de bosbeheer-verklaring geen stand.
Het argument klinkt op het eerste gehoor logisch. Decennialang bestreden brandweerkorpsen elke brand zo snel mogelijk. Daardoor stapelde brandbaar materiaal zich op in de bossen. Er wordt te weinig gekapt, gedund en gecontroleerd gebrand, stellen de critici. De bossen zijn kruitvaten geworden, en dat hebben mensen zelf veroorzaakt. Het klimaat zou in dit verhaal slechts een afleiding vormen van een zelfgemaakt probleem. Hausfather erkent dat deze redenering een echte kern van waarheid bevat. Het zogenoemde brandtekort is namelijk een aangetoond verschijnsel. Alleen geldt dat verschijnsel voor een heel ander type bos dan het Canadese.
In het droge naaldbos van het westen van de Verenigde Staten klopt het verhaal wel. Daar domineren ponderosa-dennen en gemengde naaldbomen het landschap. Het natuurlijke brandregime bestaat er uit lichte tot matige bodemvuren. Die keerden vroeger elke vijf tot dertig jaar terug. Inheemse gemeenschappen hielden dat ritme mede in stand met gecontroleerd branden. Een eeuw van brandbestrijding haalde dat frequente vuur weg, blijkt uit onderzoek van Hagmann en collega’s uit 2021. Bospercelen werden dichter en aaneengesloten, waardoor de kans op zware branden steeg. Prichard en collega’s lieten in 2021 zien dat ingrijpen daar wel degelijk werkt. Mechanisch dunnen in combinatie met gecontroleerd branden verlaagt de ernst van latere branden meetbaar. Wie over de Sierra Nevada praat, heeft met het beheerargument dus een sterk punt.
De Canadese boreale zone werkt echter fundamenteel anders. Daar branden bossen niet vaak en licht, maar zelden en heftig. Kroonvuren verteren hele opstanden in één keer en doden alle bomen. De natuurlijke cyclus tussen twee branden duurt vele decennia tot eeuwen. Vaak gaat het om een eeuw of langer. In zo’n systeem kan brandbestrijding nauwelijks een brandstofoverschot opbouwen. Tussen twee natuurlijke branden zit immers al een mensenleven of meer. Bovendien liggen de meeste boreale bossen ver van bewoond gebied. Ze zijn nooit gekapt, nooit gedund en nooit effectief bestreden. Hausfather wijst op een veelzeggend cijfer. Slechts ongeveer een vijfde van het verbrande oppervlak van de afgelopen veertig jaar lag in gebieden die ooit actief beheer kregen. Je kunt geen brandstof laten opstapelen in een bos dat je nooit beheerde.
De data wijzen wel heel duidelijk naar temperatuur. Het verbrande oppervlak in Canada nam de afgelopen decennia sterk toe. Die toename loopt gelijk op met de opwarming van het klimaat. Warme en droge brandseizoenen verbranden veel meer bos dan koele seizoenen. Per graad Celsius hogere seizoenstemperatuur groeit het verbrande oppervlak met ruwweg tachtig procent. De correlatiecoëfficiënt van dat verband bedraagt 0,61. Hausfather controleerde het resultaat met verschillende statistische toetsen. Ook na correctie voor storende variabelen blijft het verband overeind. Warmere lucht onttrekt meer vocht aan bodem, mos en dood hout. Droger materiaal ontbrandt sneller en brandt daarna heviger door.
Hausfather pleit niet voor het afschaffen van bosbeheer. In de droge bossen van Californië en omgeving blijven dunnen en gecontroleerd branden verstandig. Ook rond Canadese dorpen, wegen en energie-infrastructuur helpt gericht beheer wel degelijk. Zijn punt is dat je een regionale oplossing niet zomaar duizenden kilometers verplaatst. Wat werkt in een dennenbos in de Sierra Nevada, past niet op een afgelegen boreaal woud. Wie de Canadese rookgolven wil verklaren, komt onvermijdelijk bij temperatuur uit.
Voor lezers in Noord-Amerika heeft die conclusie een ongemakkelijke consequentie. Rookgolven zoals die van deze zomer zijn geen incident door achterstallig onderhoud. Ze horen bij een opwarmend klimaat en een langer, heter brandseizoen. Betere beheerkeuzes verkleinen de risico’s rond bewoning en verminderen de schade daar. Het totale verbrande oppervlak in de boreale zone sturen ze nauwelijks bij. Het debat over bosbeheer blijft daarmee zinvol, maar het vervangt het klimaatverhaal niet.