Het opnamelampje op Meta’s Ray-Ban-bril is geen mislukte waarborg. Het is een geslaagde verschuiving: van de vraag óf dit product zo op straat hoort, naar de vraag hoe helder een LED brandt. Dat een sticker van een dollar dat lampje uitschakelt, bewijst niet dat het ontwerp beter moet. Het bewijst dat de discussie op de verkeerde plek is beland.
Stel dat het lampje wél onomzeilbaar was — verzegeld, bewaakt door een sensor die controleert of het zichtbaar is. Wat is er dan opgelost? Dan nog moet degene die gefilmd wordt het gezicht van een vreemde afspeuren naar een brandend lichtje, ter plekke bedenken wat dat betekent en er zelf iets van zeggen. Elke technische verbetering houdt het probleem binnen het apparaat, waar Meta het kan afvinken. Precies daarom biedt het bedrijf ze zo gretig aan. Wie de oplossing in hardware zoekt, heeft stilzwijgend al geaccepteerd dat die camera’s er hoe dan ook komen.
Eerlijk is eerlijk: Meta kan dit niet in z’n eentje oplossen. Geen indicator overleeft een schroevendraaier, en een telefoon in een borstzak filmt net zo onopgemerkt. Ongemerkt opnemen bestond al lang voor deze bril.
Maar Meta is wél het bedrijf dat camera’s op miljoenen gezichten normaliseert en die normalisatie afkoopt met een lampje. Europese toezichthouders moeten ophouden met het beoordelen van indicatoren en het product zelf beoordelen. Niet: brandt dat lichtje wel. Maar: mag dit ding zo de straat op.