Honderden Nederlandse huisartsenpraktijken laten AI inmiddels meeluisteren tijdens hun dagelijkse werk. Dat blijkt uit onderzoek van kennisinstituut Nivel onder ruim 800 praktijken. In 2024 gebruikte nog ongeveer één op de vijf praktijken een AI-toepassing. Binnen een jaar groeide dat aandeel fors. De opmars verloopt daarmee sneller dan veel zorgverleners hadden verwacht. Opvallend is vooral waar die groei vandaan komt. Niet de spectaculaire beloftes rond het stellen van diagnoses geven de doorslag. Juist het onzichtbare werk achter de schermen trekt huisartsen over de streep. Assistenten en artsen zetten kunstmatige intelligentie in om administratie sneller weg te werken. Daarmee volgt de huisartsenzorg een patroon dat ook andere sectoren laten zien. AI bewijst zich eerst als hulpje bij papierwerk. Pas daarna komt de vraag of de technologie inhoudelijk mag meebeslissen.
De grootste sprong maakt de spraakgestuurde rapportage. Inmiddels gebruikt 36 procent van de praktijken deze techniek. Een jaar eerder deed slechts 14 procent dat. Het gebruik verdubbelde dus ruimschoots binnen twaalf maanden. De software luistert mee tijdens het consult tussen huisarts en patiënt. Vervolgens zet het systeem dat gesprek automatisch om in een verslag. Dat verslag belandt daarna in het patiëntendossier. De huisarts controleert de tekst en past hem waar nodig aan. Die winst voelen praktijken direct in de spreekkamer. Verslaglegging kost normaal veel tijd na afloop van elk consult. Wie die minuten terugwint, houdt meer aandacht over voor de patiënt zelf. Bovendien kijkt de arts tijdens het gesprek minder vaak naar het scherm. Precies daar zit voor veel praktijken de aantrekkingskracht van deze toepassing.
Ook AI-ondersteuning bij medische beoordelingen wint terrein, al gaat dat langzamer. In 2025 gebruikte 16 procent van de praktijken hiervoor kunstmatige intelligentie. Een jaar eerder lag dat aandeel nog op 10 procent. De technologie helpt bijvoorbeeld bij het inschatten van de urgentie van een zorgvraag. Een assistent aan de telefoon krijgt daarmee extra houvast. Moet de patiënt vandaag nog langskomen, of kan het consult wachten? Zulke afwegingen bepalen dagelijks de drukte in een praktijk. Ze bepalen ook hoe snel iemand met ernstige klachten geholpen wordt. Toch blijft deze categorie duidelijk kleiner dan de administratieve toepassingen. Zodra AI dichter bij het medische oordeel komt, groeit de aarzeling merkbaar. Dat verschil tekent zich door het hele onderzoek heen af.
Want lang niet iedereen staat te springen om kunstmatige intelligentie. Chatbots en digitale doktersassistenten kunnen op weinig enthousiasme rekenen. Maar liefst 47 procent van de praktijken heeft daar geen enkele behoefte aan. Ook AI voor diagnostiek stuit op weerstand: 42 procent ziet die toepassing niet zitten. De belangrijkste reden ligt in het menselijke aspect van het vak. Praktijken vrezen dat een chatbot te onpersoonlijk overkomt op patiënten. Sommige onderdelen van het huisartsenwerk vragen volgens hen juist om echt contact. Een patiënt met een vage klacht heeft vooral een luisterend oor nodig. Achter zo’n klacht schuilt soms een heel ander probleem. Daarnaast spelen twijfels over de betrouwbaarheid van de systemen een rol. Een fout in een verslag herstelt de arts eenvoudig. Een fout in een medische beoordeling kan veel verder reiken.
Tegelijkertijd blijkt de vraag naar AI groter dan het huidige gebruik. De helft van de praktijken wil de technologie inzetten voor preventieve zorg. Daarmee zouden zij risico’s eerder kunnen signaleren bij hun patiënten. Denk aan patiënten die stilletjes richting hart- of vaatproblemen bewegen. Ook voor medische beoordelingen bestaat veel belangstelling onder praktijken. Hetzelfde geldt voor spraakgestuurde verslaglegging en gepersonaliseerde behandelplannen. Praktijken zien dus wel degelijk kansen in kunstmatige intelligentie. De rem zit niet zozeer in onwil bij de zorgverleners zelf. Het gat tussen wens en werkelijkheid heeft vooral praktische oorzaken. Die oorzaken liggen deels buiten de invloed van de praktijk.
Die obstakels blijken behoorlijk hardnekkig. Tijd en geld ontbreken vaak om een nieuw AI-systeem in te voeren. Een drukke praktijk maakt moeilijk weken vrij voor implementatie en training. Kleine praktijken missen bovendien een eigen ICT-afdeling die het werk oppakt. Daarnaast zijn sommige toepassingen nog onvoldoende ontwikkeld voor dagelijks gebruik. Andere systemen laten zich lastig koppelen aan het huisartsinformatiesysteem. Zonder die koppeling typen medewerkers gegevens alsnog met de hand over. Dan verdwijnt precies de tijdwinst waar het hele idee om draait. Leveranciers en softwaremakers hebben op dit punt dus nog werk te doen. Ook de financiering van zorg-AI vraagt om duidelijkere afspraken.
AI is daarmee definitief de Nederlandse huisartsenpraktijk binnengekomen. De technologie neemt vooral administratief werk over van artsen en assistenten. Het menselijke oordeel blijft voorlopig stevig bij de huisarts liggen. Die verdeling past ook bij wat de praktijken zelf willen. Zij omarmen de digitale typemachine, maar houden de stethoscoop in eigen hand. De komende jaren zal blijken of die grens overeind blijft staan. Groeit het vertrouwen in de betrouwbaarheid, dan schuift AI mogelijk verder op. Zorgt een misser voor ophef, dan kan de rem er juist weer op. Voorlopig geldt vooral één simpele conclusie: de computer schrijft mee, de huisarts beslist.